Economendag in Den Haag, de Tinbergenlezing door Esther Duflo. Ik zat in de zaal en alsof het 2013 was knalde ik er een live verslag uit (zie ook: andere edities). Gelukkig is met de jaren de technologie van de draadjes wel wat beter geworden. Wie op onderstaand begin klikt, vindt het hele verhaal.
Robert Hall en Michael Woodford
Het Nobelprijscomité blijft maar prijzen uitdelen aan macro-economen, recht tegen ons advies in. En dus valt het opnieuw aan mij, de macro-econoom van deze site, om u te vertellen wat Hall en Woodford precies hebben gedaan. En een beetje snel, want andere economenblogs en kranten zijn al begonnen.
Het treft: 28 jaar geleden mocht ik in Wageningen een cursus monetary policy rules volgen bij professor Woodford zelf. Mijn verslag is hier te lezen en geeft, al zeg ik het zelf, een puik overzicht van de essentie van zijn werk.
Dat ik hier kan leunen op dit stokoude verslag geeft al aan dat deze prijs niet volgt uit een recente ontdekking. Het Nobelcomité lijkt weer terug bij de oeuvreprijs voor belangrijk werk uit het verleden. In dit geval de jaren ’70 en ’80, waarin de oude structuurmodellen het steeds slechter gingen doen.
Die modellen relateerden macro-grootheden (zoals de totale consumptie in een economie en rente) aan elkaar. Maar de totale consumptie, dat is de som van wat alle mensen individueel doen. En van mensen mogen we aannemen dat ze niet alleen naar de huidige situatie kijken, maar dat ze ook verwachtingen hebben over de toekomst. Daarom kan consumptie bewegen op een manier die (als je alleen kijkt naar de huidige data) onverklaarbaar is.
Hall en Woodford maakten een model waarin consumenten vooruit kijken. Daarmee kwam er een “micro”-fundering voor macro-grootheden. (Micro tussen aanhalingstekens, want echte interactie tussen verschillende mensen was er in de modellen niet.)
Conclusie: wat mensen verwachten, doet ertoe. Dat opende de deur voor het beïnvloeden van die verwachting, bijvoorbeeld door vaste beleidsregels. Vooral centrale banken maken daar tot de dag van vandaag gebruik van, en houden nauwkeurig bij of de inflatieverwachtingen nog “verankerd” zijn. Dat zijn ze, als mensen verwachten dat eventuele inflatie snel de kop wordt ingedrukt.
Het is een interessante tijd voor dit model, want de inflatie is hoog en toch verwachten mensen dat die snel weer richting 2% beweegt. Dat is het resultaat van jaren betrouwbaar beleid. Maar om dat vol te houden, moeten centrale banken niet alleen dreigen met maatregelen, maar ze ook af en toe uitvoeren. En dus zien we nu renteverhogingen tijdens een energieschok, wat de pijn nog wat erger maakt. Het is te hopen dat politici net zoveel waardering voor dit model houden als de economen in Stockholm.
Hall en Woodford!
Nobel gaat dit jaar naar Robert E. Hall en Michael D. Woodford “for microeconomic foundations of macroeconomic stabilisation”, aankondiging hier.
Het Nobelcomité heeft hier een populair-wetenschappelijke achtergrond, hier een meer wetenschappelijke.
Fun fact: Hall is daarmee de tiende Robert die de prijs wint…
(later misschien meer)
Nobelprognose 2026
Het is alweer de 21e Nobelprijsprognose. Ook dit jaar wordt de Nobelprijs Economie weer bekendgemaakt op de maandag in de week na de reguliere prijzen om 11:45. Wie niet kan wachten kan nu vast de livestream aanzetten.
Voor onze voorspelling kunnen we ons dit jaar ook op de wetenschap baseren. Thijs maakte in april al melding van een artikel van Peter Dolton en Richard Tol, warm aanbevolen voor iedereen die geïnteresseerd is in de prijs en de manier waarop die wordt toegekend. Dalton en Tol doen een empirische analyse van wie de prijs wint. Hun belangrijkste conclusie is dat daar verdraaid weinig over te zeggen valt. Wat wel blijkt is dat de commissie zoveel mogelijk de vakgebieden waarin de prijs valt, probeert af te wisselen, een hypothese die we bij onze prognoses ook al regelmatig hebben geponeerd. Ook lijkt de commissie eerst een vakgebied te zoeken en daarna pas een aantal personen binnen dat vakgebied.
Vorig jaar ging de prijs naar economische groei en technologische vooruitgang in de personen van Mokyr, Aghion en Howitt. Dit jaar moeten we dus in een andere richting zoeken. Wat wel opvalt is dat de prijs tot een slordige tien jaar geleden vaak richting micro-economie en speltheorie ging, terwijl de laatste tijd met name economische groei, ontwikkeling en geschiedenis populair lijken.
Voor onze voorspelling is in het artikel van Dalton en Tol vooral interessant hun overzicht (Tabel 4) van nog levende economen die op basis van de empirische analyse de prijs eigenlijk al hadden moeten winnen. In volgorde van afnemende miskendheid zijn dat Besley, Barro, Tabellini, Loewenstein, Persson. Barro hebben we in deze kolommen al veel vaker genoemd en zelfs voorspeld. Loewenstein doet gedragseconomie maar lijkt niet prominent genoeg. Besley, Tabellini en Persson doen allemaal politieke economie en zouden de prijs prima kunnen delen. Interessante optie. Nu is Persson wel een Zweed die zelf jarenlang (tot 2020) in het Nobelcomité heeft gezeten. Maar toch.
Als rechtgeaarde economen hechten we uiteraard ook veel waarde aan wat de markt zegt. Gelukkig is er nu een voorspelmarkt, op Kalshi. Ook daar geen uitgesproken favoriet, al gooien Pakes en Athey hoge ogen. Op NPR staat een aardig artikel over de koplopers.
Pakes tipten we vorig jaar al, Athey heeft een duizelingwekkende publicatielijst en bijvoorbeeld dingen gedaan op het gebied van machine learning, misschien een leuk haakje voor het comité. Kan ze de prijs bijvoorbeeld delen met Lawrence Katz, die onder meer geschreven heeft over de invloed van AI op de arbeidsmarkt. Nog geiniger: Athey is getrouwd met Imbens (winnaar in 2021), Katz met Goldin (winnaar in 2023). Echtgenoottechnisch dus een aantrekkelijke combi, inhoudelijk misschien toch wat minder.
Clarivate dan? Die komt dit jaar op de proppen met Athey en Varian, Woodford, of Winter. Geen van drieën lijkt me heel realistisch.
Welke opties uit het verleden hebben we nog liggen? Trouwe lezers weten dat we al twintig jaar hopen op Dixit, maar dat die hoop inmiddels wel zo’n beetje vervlogen is. Een prijs voor internationale handel zou nog steeds een prima optie zijn. Het trio Grossman/Helpman/Melitz ligt dan voor de hand.
Maar, gesterkt door de voorspelmarkt, houden we het ook dit jaar op Steven Berry en Ariel Pakes, voor “their contributions to the structural estimation of industrial organization models and their applications to competition policy and regulation.”
Waarvan akte.
Hersenonderzoek
Nobelprijzen, schrijven we nog wel eens ergens anders over? Het onderwerp moet deze maand in ieder geval weer enkele berichten opleveren.
Hier is er alvast één: de prijs voor Geneeskunde werd zojuist toegekend aan onderzoekers op het gebied van hersenfuncties. Zij vroegen zich af waar in het hoofd welke herinnering precies ligt opgeslagen.
Mooi werk, met economische toepassingen! We zaten er in 2012 al bovenop.
Nobelprijs economie 1901-1976
Berichten over de Nobelprijs economie zijn een jaarlijks hoogtepunt op deze site. Daarom moeten we ook even melding maken van dit paper van Peter Dolton en Richard Tol (via MR). Hun zware werk bestaat uit het modelleren van het proces van prijstoekenning: welke rol speelt het veld, het netwerk, de personen in de jury? Nu er inmiddels 57 uitreikingen zijn geweest, kun je daar een redelijke analyse van maken. Opmerkelijk is onder meer de langdurige invloed van arbeidseconoom en voorzitter Assar Lindbeck op de keuze.
Bij de nieuwe prognose zullen we daar nog eens goed naar kijken. Maar voor nu even aandacht voor het toetje van dit paper. Dat heeft te maken met het grote verdriet van de Nobelprijs economie: het is Geen Echte Nobelprijs maar een prijs die in 1969 is ingesteld door de Zweedse centrale bank. Echte Nobelprijzen zijn er al sinds 1901.
Tol en Dolton vragen zich af hoe de lijst eruit gezien had als Alfred Nobel meteen in 1901 een Nobelprijs economie had ingesteld. Voor zover ik kan zien doen ze dat buiten hun eigen theorie om, met behulp van vier LLM-modellen. Dat is weinig wetenschappelijk, maar het resultaat is om te smullen. Klik hier voor de volledige lijst, die begint met Leon Walras (1901) en via Marshall (1910), Pareto (1915) uitkomt bij Schumpeter (1930), Keynes (1938) en Knight (1951). Nederlanders niet getreurd, Tinbergen krijgt zijn prijs 9 jaar eerder en ook Koopmans schuift naar voren. Dat geeft wat nieuwe namen in de jaren ’60-’70, maar na 1976 is de lijst identiek met de echte.
De consumptieschok van het nieuwe pensioenstelsel
De gemiddelde Nederlander heeft behoorlijk gespaard voor de oude dag, vanwege de verplichte afdrachten aan collectieve pensioenfondsen. Die fondsen beslissen zelf hoe hoog de pensioenen zijn die ze uitkeren, maar worden daarin beperkt door regels en de toezichthouder. In de jaren 2025-27 gaan de meeste fondsen over op nieuwe regels, waardoor het waarschijnlijk is dat de pensioenen hoger kunnen worden. Eén en ander hangt af van de toestand op financiële markten op het moment van overstappen.
In dit artikel in de Volkskrant lezen we over de gevolgen van de overstap van enkele grote fondsen begin dit jaar. Volgens de krant gaan 1,5 miljoen gepensioneerden er gemiddeld 13% op vooruit. Dit is een schatting; de daadwerkelijke verandering is pas na enkele weken rekenen vast te stellen.
Wat gebeurt er met de totale consumptie in Nederland door deze inkomensstijging? Om dat te berekenen moeten we een idee hebben welk deel van hun inkomen gepensioneerden krijgen uit aanvullende pensioenen. De verhouding AOW-aanvullend pensioen is ongeveer 50-50; uit deze pagina van DNB haal ik verder dat de derde component “overig” ook nog een vergelijkbaar deel toevoegt. Aanvullende pensioenen zijn dus ongeveer een derde van het inkomen. Bij een inflatie van 3% gaat dat deel met 10% reëel omhoog; het hele inkomen dus met 3,3%.
Die 1,5 miljoen gepensioneerden zijn ongeveer 8,3% van de bevolking. Hun aandeel in het verdiende inkomen is ongeveer gelijk, uit deze tabel bereken ik het op zo’n 8%. Daarmee vinden we het effect van de hogere pensioenen begin 2026 op het totale Nederlandse inkomen als 8% keer 3,3%=0,26%.
Is dat veel? Aan de ene kant niet; het CBS meldt dat het reëel beschikbaar inkomen van alle Nederlanders er in een jaar zomaar met 3,5% op vooruit kan gaan. Aan de andere kant, afhankelijk van de consumptielust van de gepensioneerden en de multiplier kan het net een tiende schelen in de bbp-groei van dit jaar (orde van grootte 1,3%; iets minder dan de helft van het bbp is consumptie van gezinnen).
Zijn er voorbehouden? Het nieuwe stelsel is minder zeker, dat zou ertoe kunnen leiden dat de 1,5 miljoen uit voorzorg niet hun hele verhoging uitgeven. En sowieso loopt het aandeel variabele uitgaven terug na de 75 jaar. Aan de andere kant zijn er meer deelnemers in een pensioenfonds dan alleen de gepensioneerden, en een aantal (vooral degenen dicht bij pensioen) zouden al eerder hun consumptie op kunnen schroeven. Hoewel de krapte op de arbeidsmarkt iets terugloopt, bestaat verder het risico dat een deel van de extra bestedingen zorgen voor hogere prijzen, in plaats van extra groei.
(Dit is een uitwerking van een Bluesky post op de late avond, met hopelijk een iets meer nauwkeurige berekening.)
De Nederlandse wortels van Joel Mokyr
In veel berichtgeving (onder andere bij de NOS) is al vermeld dat Joel Mokyr, een van de Nobelprijswinnaars van vandaag, Nederlandse wortels heeft: hij is geboren in Leiden.
Maar de wortels gaan nog veel dieper. In 1999 gaf Mokyr een workshop in Tilburg en volgens onze bronnen (bedankt Ben! via Pim!) vertelde hij daar dat hij is geboren als Joel Mok. Eenmaal in Israël werd die naam verbasterd tot Mokyr, iets dergelijks scheen wel vaker voor te komen onder Nederlandse Joden die naar Israël emigreerden. Zijn broer was, nog steeds met de achternaam Mok, lange tijd verbonden als hoogleraar aan de rechtenfaculteit aan de Universiteit van Groningen en jarenlang actief als advocaat-generaal van de Hoge Raad. Het valt niet mee om online bronnen te vinden voor deze familiebanden, maar uiteindelijk stuitten we op een aantal genealogische websites die de link bevestigen.
Volgens die info was ook vader Salomon prominent jurist: hij was gespecialiseerd in arbeidsrecht, zat in de Amsterdamse gemeenteraad en was voorzitter van de Raad van Arbeid in Leiden.
En mocht u zich afvragen waarom de industriële revolutie niet in Nederland plaatsvond, ook daar schreef Mokyr over.
Mokyr, Aghion en Howitt
Een Nobelprijs voor endogene groeitheorie, hadden we die niet al eens eerder gehad? Jazeker, in 2018, toen Paul Romer de eer moest delen met William Nordhaus. Het is dan ook tamelijk onverwacht dat er nog drie groei-economen aan het lijstje der winnaars worden toegevoegd. Aan de andere kant, dit is een vakgebied dat in de jaren ’90 van de vorige eeuw veel nieuwe ideeën opleverde, en een groot aantal van de sterren van het veld. Voor het eerst werd er echt vooruitgang geboekt, na het Solow-model uit 1956.
Van de drie is Mokyr degene die zich bezighoudt met het fascinerende (en tegenwoordig vaak wegbezuinigde) vak economische geschiedenis. Geboren in Leiden, en gepromoveerd op een proefschrift over groei in de Lage Landen, kwam je hem geregeld tegen bij Nederlandse conferenties en seminars. Zijn gave is om in de historie een economisch mechanisme te ontdekken dat verklaart waarom er sinds de industriële revolutie vrijwel continuë groei is, en daarvoor niet. Zoals het comité uitlegt heeft dat te maken met het soort kennis dat wordt ontwikkeld, dat dieper moet gaan dan alleen praktische instructies.
Aghion en Howitt zijn de theoretici, die de logica van kennisopbouw gevangen hebben in een model. Dat had Romer ook al gedaan, maar het vernieuwende van deze twee was dat ze specifiek keken naar de gevolgen van concurrentie tussen innoverende bedrijven, iets dat Romer slim had omzeild. In het kort is het dilemma daar als volgt: wie investeert in kennis, verwacht daar vervolgens iets mee te verdienen. Maar als je pech hebt, komt er al snel een concurrent die óók investeert en nóg iets beters vindt. Omdat je dan uit de markt gedrukt wordt, kun je niet de volledige waarde van je kennis realiseren. Dat leidt tot onderinvestering. Aan de andere kant houdt die concurrent ook geen rekening met de schade die hij bij jou aanricht. Allemaal externaliteiten, die leiden tot een theorie over concurrentie, marktmacht en innovatie.
Bij Howitt heb ik nog wel eens een cursus gevolgd, waarvan me tot mijn schande vooral is bijgebleven dat hij, als Canadees, “oet” zei in plaats van “out”. En hoewel twee van de drie laureaten gewoon in de VS werken, lijkt ook bij deze prijs dit jaar met zorg een internationaal gezelschap geselecteerd en staat in het persbericht een waarschuwend woord dat Amerikaanse economen moet doen huiveren:
[innovation] creates conflicts that must be managed in a constructive manner. Otherwise, innovation will be blocked by established companies and interest groups
Mokyr, Aghion en Howitt!
Nobelprijs gaat dit jaar naar economische groei en technologische vooruitgang. Op zich een mooie combinatie, met Mokyr enerzijds (helft van de prijs) die de geschiedenis beschrijft en Aghion en Howitt (andere helft), die een theoretisch model formuleerden.
Wie het politiek wil maken zou kunnen opmerken dat de prijs behoorlijk in het verlengde ligt van het Draghi-rapport, dat vorig jaar pleitte voor meer competitiveness in Europa. Aghion werkte overigens ook mee aan dat rapport.
Best verrassend, deze prijs, vooral omdat ze vergelijkbare thema’s bestuderen als de winnaars van vorig jaar. Actueel is ie zeker. In onze archieven werd de mogelijkheid Aghion/Howitt ooit genoemd, maar dat was in 2014, toen Thomson die combi tipte.
Tijdens de persconferentie nu zegt Aghion dat we vooral allemaal het Zweedse beleid moeten volgen.
(later meer)